4.5.
Ola voert verder aan dat [verzoekers] met hun verzoeken misbruik maken van recht in de zin van artikel 3:13 BW. Volgens Ola gebruiken [verzoekers] het inzagerecht en het recht op gegevensoverdraagbaarheid voor een ander doel dan waarvoor het gegeven is, namelijk het oprichten van een data trust en het vergaren van informatie om de rechtspositie van chauffeurs ten opzichte van Ola en andere platforms te verbeteren.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat een betrokkene in beginsel niet hoeft te motiveren of onderbouwen waarom hij een inzageverzoek doet onder de AVG. De betrokkene hoeft bij de uitoefening van zijn inzagerecht niet een bepaald belang te stellen of het doel te vermelden dat hij met de inzage wil bereiken. Het enkele feit dat over hem gegevens worden verwerkt is voldoende. Daarmee is niet gezegd dat een inzageverzoek nooit misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW kan opleveren (vgl. Hof Amsterdam 10 november 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8223 en conclusie A-G Drijber voor Hoge Raad 21 december 2018, 9 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1273). Dat kan het geval zijn als het inzagerecht enkel wordt gebruikt voor een ander doel dan controle of persoonsgegevens juist en rechtmatig worden verwerkt. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om misbruik van bevoegdheid aan te tonen.
4.7.
In dit geval hebben [verzoekers] naar voren gebracht dat zij de juistheid en rechtmatigheid van hun eigen gegevens wensen te controleren en dat dit een voorwaarde is om andere privacyrechten uit te kunnen oefenen. Dat is voldoende. Anders dan Ola betoogt, maakt de omstandigheid dat [verzoekers] en de vakbond waarbij zij zijn aangesloten ook een ander belang bij het verkrijgen van persoonsgegevens hebben, namelijk om deze te gebruiken om duidelijkheid te verkrijgen over hun arbeidsrechtelijke positie of bewijs in juridische procedures tegen platforms te verzamelen, niet dat [verzoekers] misbruik van hun rechten maken. Immers, niet is komen vast te staan dat [verzoekers] het inzagerecht uitsluitend voor een ander doel willen gebruiken dan controle of de persoonsgegevens juist en rechtmatig worden verwerkt. Het beroep op misbruik van het inzagerecht wordt dan ook verworpen.
4.8.
Het verzoek om persoonsgegevens over te dragen in een bepaald formaat komt voort uit de wens van [verzoekers] om deze gegevens rechtstreeks in een databank van WIE op te laten nemen voor analyse met het doel de onderhandelingspositie van platformwerkers te verbeteren. In overweging 68 van de AVG is opgenomen dat het recht op gegevensoverdraagbaarheid dient om de zeggenschap van de betrokkene over zijn eigen gegevens te versterken. In de Richtlijnen inzake het recht op gegevensoverdraagbaarheid is vastgelegd dat dit recht tot doel heeft om de positie van de betrokkene met betrekking tot zijn eigen persoonsgegevens te versterken en de betrokkene meer controle over zijn gegevens te geven. Het biedt de betrokkene de mogelijkheid om persoonsgegevens gemakkelijk van de ene IT-omgeving naar de andere te verplaatsen, te kopiëren of over te dragen, zonder daarbij gehinderd te worden en ongeacht of het daarbij gaat om eigen systemen, de systemen van vertrouwde derden of die van nieuwe verwerkingsverantwoordelijken. Ola betoogt terecht dat een belangrijk doel van dit recht gelegen is in het vergemakkelijken van het overstappen naar een andere dienstverlener en het voorkomen van een zogenaamde ‘ user lock-in ’ bij de oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke. Dit betekent echter niet dat het beoogde doel van [verzoekers] – analyse van de eigen persoonsgegevens ofwel gebruik voor eigen doeleinden – van het recht op gegevensoverdraagbaarheid is uitgesloten. Daarvoor is geen steun te vinden in de totstandkomingsgeschiedenis van de AVG, de overwegingen van de AVG zelf en de Richtlijnen. Het beroep op misbruik van het recht op gegevensoverdraagbaarheid wordt dan ook verworpen.
Het verzoek om inzage in persoonsgegevens
4.9.
Het inzageverzoek is gebaseerd op artikel 15 lid 1 AVG. Op grond van dit artikel heeft de persoon van wie persoonsgegevens worden verwerkt het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van (onder meer) de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens, de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, en de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, dan wel de criteria om die termijn te bepalen.
4.10.
Artikel 15 AVG heeft tot doel de betrokkene in staat te stellen kennis te nemen van de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld en te controleren of die gegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt (zie overweging 63 AVG). De AVG is de opvolger van de Richtlijn persoonsgegevens , zoals geïmplementeerd in de Wbp . Het inzagerecht was voorheen vastgelegd in artikel 12 van de Richtlijn persoonsgegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat krachtens de AVG de doelstelling en omvang van dit inzagerecht ten opzichte van de Richtlijn persoonsgegevens is gewijzigd. De rechtbank zal voor de uitleg van het in artikel 15 AVG geregelde inzagerecht daarom aansluiting zoeken bij de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en de Hoge Raad over het inzagerecht onder vigeur van de Richtlijn persoonsgegevens en de Wbp.
Het inzagerecht is beperkt tot persoonsgegevens. De uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’ is daarom bepalend voor de reikwijdte van het inzagerecht. Op grond van artikel 4 onder 1 AVG is een persoonsgegeven ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’. Door het HvJEU wordt een ruime uitleg aan het begrip ‘persoonsgegeven’ gegeven. Het HvJEU heeft overwogen dat het begrip persoonsgegeven niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene betreft. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon en waarmee die persoon redelijkerwijs identificeerbaar is voor een andere persoon (HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:994, [partij] ).
Verder is relevant voor de beoordeling van het verzoek het arrest van het HvJEU van 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081, IND). In deze zaak heeft het HvJEU – kort samengevat – overwogen dat een juridische analyse persoonsgegevens kan bevatten, maar de juridische analyse op zich zelf niet kan worden gekwalificeerd als persoonsgegeven in de zin van artikel 2 onder a van de Richtlijn persoonsgegevens. Anders dan de gegevens die de feitelijke basis kunnen vormen voor de juridische analyse, kan de analyse zelf niet door de betrokkene worden gecontroleerd op de juistheid ervan en worden gerectificeerd. In zijn arrest van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365) heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar de overwegingen van het HvJEU in dit arrest – overwogen dat de Richtlijn persoonsgegevens die door de Wbp is geïmplementeerd, de betrokkene in staat stelt te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, ter bescherming van het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Die controle kan dan leiden tot rectificatie, uitwissing of afscherming van de gegevens.